Advies 2010LZA03

De moeder stond vanwege uterus anomalie (uterus bicornis bicollis) tijdens haar zwangerschap
onder controle bij de polikliniek Gynaecologie van ziekenhuis X.
Bij een zwangerschapsduur van 19 weken en 4 dagen was structureel echoscopisch onderzoek
verricht. Hierbij waren geen afwijkingen bij het kind gedetecteerd.
Bij een zwangerschapsduur van 32 weken werd een routine echo gemaakt. Hierbij werden
macrocefalie en ernstige intracraniële afwijkingen (verdenking op intracraniële tumor) gezien.
Dezelfde dag werd een antenataal MRI onderzoek van het foetale cranium verricht. Er werden een
zeer grote intracraniële tumor (verdacht voor een teratoom), die leidde tot compressie van de
hersenstam, en doorgroei van de tumor in de oogkas (exophtalmos) vastgesteld. Hierdoor was er
eigenlijk geen normale anatomie in de schedel te ontdekken. De omtrek van het foetale hoofd was
abnormaal groot, 36 cm, wat gelijk is aan de hoofdomtrek van een voldragen kind.

De tumor zou niet chirurgisch kunnen worden verwijderd en kende zeer waarschijnlijk een uiterst
snelle groei. De risico’s voor de moeder zouden bij het voortzetten van de zwangerschap zeer
hoog zijn (bijv. uterusruptuur, baringsproblemen) vanwege de zeer grote hoofdomvang van het
kind.

Volgens de geconsulteerde kinderneurologen was er geen positieve uitkomst voor het kind
denkbaar. De te verwachten postnatale levensduur zou zeer beperkt zijn. Als het kind al levend
geboren zou worden, zou er, gezien de omvang van deze niet operabele hersentumor, sprake zijn van het volgende toekomstbeeld: ernstige neurologische beschadigingen, hydrocephalus, ernstige respiratoire en hemodynamische problemen (of mogelijk zou het kind helemaal niet in staat zijn tot ademhalen), ernstige lichamelijke beperkingen, geen neuromotorische ontwikkeling, geen mogelijkheden tot communicatie en geen zelfredzaamheid. Het kind zou veel lijden, er zou geen behandeltraject mogelijk zijn en de afhankelijkheid van palliatieve zorg zou hoog zijn.

De arts en de geconsulteerde artsen waren het erover eens dat het ongeboren kind mogelijk veel
pijn leed door de druk op de schedel en dat dit niet te verminderen of op te heffen was. Ook werden er reeds in utero abnormale schokkende bewegingen (mogelijk epileptische insulten) van
het kind waargenomen.